Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure
Een Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP) is een procedure voor multidisciplinaire samenwerking bij grootschalige incidenten. Sommige incidenten vragen om grote inzet van verschillende disciplines waardoor het van belang is om goed samen te werken. De specifieke inzet van de verschillende hulpverleningsdiensten en de manier waarop de samenwerking zou moeten verlopen staan omschreven in de GRIP.Oorsprong
De GRIP is van oorsprong ontstaan in de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, waar het 1 mei 1995 operationeel werd. Sindsdien is de procedure effectief en noodzakelijk gebleken en overgenomen door verschillende regio's. Tegenwoordig is het protocol landelijk ingevoerd en maakt iedere veiligheidsregio er gebruik van.
Disciplines
In de procedure heeft men het over grofweg drie hulpverleningsdiensten, namelijk:- Brandweer
- Politie
- Ambulancediensten (eigenlijk alle geneeskundige diensten, GHOR)
Fasen
In totaal spreekt men van vier (soms vijf) fasen, namelijk GRIP 1 tot en met GRIP 4. Bij fase 1 spreekt men van een relatief klein incident met een beperkte afmeting terwijl fase 4 een gemeenten, regio-, provincie- of landoverschrijdend incident is met dreiging van uitbreiding of schaarste. Zie hiervoor ook het onderstaande schema:| Fase | Reikwijdte van het incident |
|---|---|
| GRIP 0 | Bronbestrijding. Dagelijkse routine van de operationele diensten, geen bijzondere coördinatie nodig. |
| GRIP 1 | Bronbestrijding. Incident van beperkte afmetingen. Afstemming tussen de verschillende disciplines nodig. |
| GRIP 2 | Bron- en effectbestrijding. Incident met duidelijke uitstraling naar de omgeving. |
| GRIP 3 | Bedreiging van het welzijn van (grote groepen van) de bevolking binnen één gemeente. |
| GRIP 4 | gemeenten, of regio- of provincieoverschrijdend (of nabij grens tussen regios) en dreiging van uitbreiding. Mogelijk schaarste. |
GRIP 1
De dagelijkse werkzaamheden van de hulpverleningsdiensten vallen onder GRIP 0, men heeft hier immers geen coördinatie bij nodig. Toch zou het kunnen zijn dat één van de disciplines deze coördinatie op een gegeven moment wel nodig heeft. Er kan dan, door iedere bevelhebbende hulpverlener ter plaatse, GRIP 1 worden afgekondigd. Bij GRIP 1 komt de leiding van iedere hulpverleningsdienst ter plaatse en deze leiding heeft dan gezamenlijk het bevel als Commando Plaats Incident (COPI). Deze leiding bestaat voor iedere dienst uit een Officier van Dienst, namelijk: OvD-B (Brandweer), OvD-P (Politie) en OvD-G (Geneeskundig).
GRIP 2
Als een incident grote gevolgen heeft voor de directe omgeving zal één van de officieren leiding over alle aanwezige eenheden nemen, men spreekt dan van GRIP 2. Bij een brand of ongeval neemt de brandweer meestal leiding, bij een schietincident/aanslag de politie, en anders de geneeskundige. Verder komt naast een COPI de leiding van het Regionaal Operationeel Team (ROT) bijeen, dat bestaat uit functionarissen van de hulpdiensten. Dit team leid de inzet van hun diensten op afstand. Als de burgemeester nog niet geïnformeerd was zal dit ook nu gebeuren. De burgemeester zal op zijn plaats weer het Gemeentelijk Beleidsteam (GBT) oproepen om hem te adviseren en helpen met bepaalde keuzes. GRIP 3
GRIP 4
Bij een incident dat gemeente, provincie of grensoverschrijdend is kan GRIP 4 worden afgekondigd. In dat geval zullen net als bij GRIP 3 de COPI, ROT, burgemeester, Coördinerend bestuurder en RBT gealarmeerd worden. Ook zal de Commissaris van de Koningin (CdK) een Proviciaal Coördinatie Centrum (PCC) opstellen. In dit centrum komen ambtenaren die belast zijn met rampenbestrijding bijeen, die de CdK zullen adviseren. Als een incident binnen een provincie blijft heeft deze Commissaris van de Koningin een coördinerende rol. Indien een incident provincieoverschrijdend wordt, zal de Minister van Binnenlandse Zaken de coördinerende rol overnemen. In dat geval komt ook het Het Nationaal CrisisCentrum (NCC) bijeen, en kunnen ministeries Departementale Coördinatie Centra (DCC) opzetten.Opschaling en afschaling
Anders dan bij de meeste branden zal opschaling voor GRIP-incidenten niet altijd chronologisch verlopen. Bij bepaalde incidenten is direct duidelijk dat iets een groot incident is en dat er coördinatie nodig is. Een voorbeeld hiervan is de crash van Turkish Airlines-vlucht 1951, waarbij men binnen 4 minuten na de eerste melding GRIP 3 uitgaf. Andere voorbeelden van mogelijk plotselinge opschalingen: een aanslag, explosie(gevaar), bommelding of bijvoorbeeld een incident met gevaarlijke stoffen.In veel regio's zijn afspraken over de opschaling, zo mag vaak een bevelvoerder maximaal GRIP 1 geven, officier van dienst GRIP 2, hoofd officier van dienst GRIP 3 en regionaal commandant GRIP 4. Verder zal een piketcentralist op een meldkamer ook zelfstandig een incident kunnen opschalen indien er eigenlijk direct een grote opschaling nodig is, maar er nog geen brandweer/politie/ambulance ter plaatse is.
Net als opschalingen gaan ook afschalingen niet altijd chonologisch. Dit is een kwestie van behoefte. Als de brandweer bijvoorbeeld na een grote brand (GRIP 3) aan het nablussen is, zal het RBT en het ROT niet meer nodig zijn. Er hoeven immers geen belangrijke beslissingen meer te worden gemaakt. Men kan in zo'n geval afschalen naar GRIP 1.
Wie kijken er?
We hebben 44 gasten online
Tiplijn
Ziet u SEON, de Mobiele Eenheid of iets anders nieuwswaardigs?
Bel mij op: 06-14514396!
Het Weer
actuele buienradar
weersverwachting


Diensten geleverd aan:


.jpg)


Amber Alert
Bij landelijke vermissing van een kind wordt op deze website een melding gegeven. Ook meedoen aan Amber Alert?
